Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘Schrijverskring Ospel’ Category

 

De zussen An Cuijpers en Mia Frenken organiseerden begin 1990 de eerste PoëzieAvonden in Ospel. Over deze avonden vertellen wij de volgende week meer. Tijdens een van die PoëzieAvonden was er in het publiek een groepje deelnemers aanwezig aan de cursus autobiografisch schrijven o.l.v. psycholoog Willem Smits uit Altweerterheide. Peter Massee was daar één van. Tijdens deze avond greep hij spontaan zijn kans toen hij op het podium stond: hij riep geïnteresseerden op om een eigen Schrijverskring in Ospel op te richten. Dit was een gouden initiatief! Op 17 maart 1994 kwam de SKO voor het eerst bij elkaar.

 

 

Peter was gedurende de 25 jaar die volgden, naast initiatiefnemer, ook voorzitter. Wij menen hem het beste recht te doen door het plaatsen van dit gedicht:

Geur

Kijkend vanuit mijn raam
de nacht nog in mijn lichaam
staar ik nietsziend in de verte
de dauw nog in mijn ogen.

Vage herinneringen kloppen
aan, ruik ik dezelfde geur?
Is het een brandlucht die nog
in mijn geheugen schemert?

Voorzichtig schud ik mijn hoofd
probeer de spinraggen te verdrijven
maar de geuren blijven aan-
dringen tot ik ze herken.

Ik sper mijn ogen open, beneden
sputteren eieren in de pan.
Mijn lief is voor mij bezig, maar
wat sta ik nog te treuzelen?

 

Peter Massee
2 maart 1998

Advertenties

Read Full Post »

(foto’s: Wim Kessels)

Al vijfentwintig jaar delen wij lief en leed, inspiratie, plezier en bijzondere momenten. Deze mijlpaal was voor ons een goede reden om een feestje te bouwen. Afgelopen donderdag 25 april 2019 hebben wij onszelf dan ook getrakteerd op een heerlijk en plezierig etentje bij De Daatjeshoeve, Nederweert/Laar. Natuurlijk borrelden, al dan niet met hulp van de nodige glazen wijn, de anekdotes als vanzelf naar boven.


Volop in aktie…

Hoogtepunt van deze avond was het aanbieden van een gedichten/fotoboek over en van Peter Massee, aan zijn vrouw Anja. Zij werd totaal verrast en was onder de indruk van dit persoonlijk gebaar: een terecht eerbetoon aan haar nog niet zo lang geleden overleden man. Anja, wij hopen dat het je veel steun en vreugde mag geven wanneer je thuis op jouw gemak dit boek doorbladert. Wij bedanken Annie voor het vele werk dat zij heeft gestoken in het maken van dit prachtige aandenken aan Peter.


Karin mag namens de SKO het boek aanbieden aan Anja

Het was een geslaagde avond, of, zoals onze José het treffend samenvatte:

“Een lach en een traan
Iedereen altijd zo spontaan
Ruimte voor emotie en verhalen
En op het eind moet Annemiek weer betalen”

Waarvan akte 😉

 

Read Full Post »

Wij wensen al onze lezers een

 

En we blikken alvast vooruit, samen met An, naar het komend weekend: Koningsdag. Met als hoogtepunt de vrijmarkt. Feestelijk spel van bieden en loven, afstand doen van dierbare spullen of nieuwe spullen omarmen…

Keuningsmerrentj

Ich bin nao de Keuningsmerrentj gewaestj
waat waas det toch ein fieëst
Ich heb mien poppe dao verkochtj
en mennig speulgoodbieëst
Wi-j ich weer nao hoês tôw ging
waas ich wul alles kwieët
En met un dikke portemennee
haaij ich toch un bitje spiêt
Want noets mieër kumptj dae tieëd trök
waoin ich zoë bli-j heb gespeûldj
Vör di-j dikke portemennee
heb ich um nôw ingereuldj
Un anger maechtje es bli-j met mien speûlgood
det es baeter dan oppe zölder beware
wao het allein mer stoof zooj vergare.

An Cuijpers-Rutjens

Read Full Post »

Als onze An maar kan schrijven over de natuur: dan bloeit ze helemaal op! En wij, al lezende, daardoor ook…

 

 

De wederik

De wederik kwam op bij het ochtendgloren
samen met het eerste licht
Hij werd uit de aarde geboren
zijn stamper op de zon gericht

Dikke hommels landden er op
vertrokken met stuifmeel op hun kop
Bonte vlinders kwamen aangezweefd
en ze vroegen heel beleefd:
“Mogen wij van uw mede drinken?
Wij zullen op uw gezondheid klinken!”

Toen het avond werd was de wederik moe
Hij vouwde schielijk zijn blaadjes toe
Gaf anderen vreugde in het leven,
daarvoor zijn leven doorgegeven

 

An Cuijpers
Juli 2001

 

Read Full Post »

Een fris en heeeerlijk verhaal van Terry waar je alleen maar goeie zin van kunt krijgen. Over een nachtelijke fietstocht, motorrijders en enge honden…


Angstzweet

Ik heb nog één horde te nemen, voordat ik daarna binnen vijf minuten thuis zal zijn.
Overdag ben ik er al niet gerust op, laat staan ’s avonds. Nu maar hopen dat er nog meerdere mensen aanwezig zullen zijn.
Mijn hart gaat als een razende tekeer en mijn benen voelen ietwat verzuurd aan door het gestamp op de pedalen. Had ik die trui maar niet aangedaan.
De doorgestikte winterjas houdt mijn penetrante zweetlucht niet tegen. Mijn moeder zegt altijd dat het lijkt op de geur van een frikandel speciaal. Zweet parelt op mijn voorhoofd, nek en bovenlip. Het voelt alsof ik een baanrecord moet breken bij de Olympische Spelen. Het okselvocht heeft al klotsend mijn shirt en trui veroverd en grote natte kringen wrijven langs de onderkant van mijn bovenarmen. Not my finest hour. Tuurlijk ben ik juist vandaag mijn deo vergeten te gebruiken. Wel make-up op en mijn lange blonde haren leuk in elkaar gefrutseld maar stinken als een mobiele snackbar.

Joyce had geappt en gevraagd of ik zin had om mee naar de film te gaan.
Ikzelf had liever The Green Book gezien maar ze had haar zinnen gezet op een goede horrorfilm. Kon haar toch niet vertellen dat zulke films me complete nachtmerries geven. Ik, die altijd zo stoer gekleed en gebekt voor de dag kom. De spanning in mijn spieren en schouders liep met de minuut hoger op.
Een keer vloog mijn beker popcorn omhoog om zo goed als leeg te landen. De andere keer het flesje cola wat plakkerige vlekken achterliet op mijn nieuwe broek.
Gotverdegotver……
Maar goed dat ik het flesje cola niet op kon drinken, anders had ik bij de ontknoping van de film in mijn broek gepiest.
Joyce was verrukt geweest over de film en had zich slap gelachen om mijn capriolen. Ik was alleen maar blij dat het licht aanging en we naar buiten konden.
Na een paar drankjes in het aangrenzende café, gingen we ieder op weg naar huis. Joyce woont in het centrum, ik daarentegen moet een kilometer of zes fietsen voor ik met het pontje de oversteek kan maken.
Om daarna binnen vijf minuten mijn ouderlijk huis binnen te stappen.

Het zijn de langste zes kilometer ooit. Achter elke struik of boom kan er een of andere zombie of bezeten persoon opdoemen. Wat hoor ik voor rare geluiden achter me, het zwiepen van een zeis of rinkelen van kettingen?
Een elektrische fiets zou me niet bij kunnen houden denk ik. Wanneer ik het paadje afdaal dat bij het veerpont uitkomt, bereik ik zo’n hoge snelheid dat het lijkt alsof ik vlieg. Als ik maar tot stilstand kom… Doordat ik uit alle macht in mijn handremmen knijp duikel ik voorover van mijn fiets af en beland met mijn snufferd op het koude dek van het pontje. De fiets landt net langs me, kletterend op de metalen vloer.
Er springt iets bovenop me en gromt. Ik schrik me wezenloos en vermoed dat het de nieuwste aanvalstechniek is van de hoofdrolspeler uit de film. Ieder moment verwacht ik dat er tanden in mijn zwetend vlees worden gezet waarna een bloederig pontje de overkant bereikt.
“Bruno, af!” roept de man die nu naderbij is gekomen. Het is die mysterieuze, gevaarlijk uitziende man, de schipper van het pont. Hij heeft altijd zijn eveneens gevaarlijk uitziende hond bij zich. Zo’n ras dat gefokt wordt om te vechten maar waarvan ik de naam nooit kan onthouden. Mijn organen hebben weer ruimte om te ademen nu Bruno terug op het dek zit. Hij blijft me echter vanaf een kleine afstand scherp in de gaten houden.
De ruwe grote handen van de schipper trekken me overeind en zetten m’n fiets tegen de railing. “Zo meissie, wou je vliegend naar de overkant?” grapt hij, terwijl hij geen spier verrekt. “Tja, ik ging te hard en kneep te hard in de handremmen, denk ik”, antwoord ik beduusd. Al trekkend aan mijn kleren wil ik naar mijn fiets toe lopen, waarop Bruno weer begint te grommen. Ik kijk naar de schipper en zeg: “Doe ik iets verkeerd?”. “Nee meissie, je ben zeg maar met de deur in huis komme vallen en nu mot hij effies aan je wennen. Betaal me maar vast voor het ritje en roep hem dadelijk maar effies bij je.” Effies bij me, denk ik, ‘k weet niet of ik daar zo blij mee moet zijn.
Er komt een man met een zwarte Harley Davidson het pont opgereden en hij betaalt de schipper. Hij zet zijn helm af en stapt van zijn motor. Het leer kraakt en trekt de aandacht van Bruno. De hond snuffelt aan de broekspijpen van de flink getatoeëerde man maar teleurgesteld komt hij toch weer mijn kant op gewaggeld. De motorbestuurder bekijkt me van top tot teen met een blik die me niet aanstaat. Ik voel me steeds ongemakkelijker worden en ben blij met Bruno’s gezelschap. Uiteindelijk strek ik toch maar effies mijn hand naar hem uit. Vrolijk kwispelend begint hij te likken en houdt er niet meer mee op. Da’s niet effies, da’s best lang, denk ik. Maar ik wil Bruno te vriend houden dus ik laat hem zijn gang maar gaan.
Intussen is het groene licht boven het witte licht van het pont aangegaan als sein dat we gaan varen. De motorbestuurder maakt aanstalten om naar mij toe te komen maar daar steekt Bruno een stokje voor. Wanneer de in leer verpakte man een paar meter van mij vandaan is, begint Bruno zijn brommer weer aan te zetten maar nu trekt hij daarbij dreigend zijn lippen omhoog. De schipper komt tussen mij en de man staan. Deze stopt abrupt en zegt: “Ik wil alleen maar iets vragen”.
“En wat zal dat dan wezen?”, vraagt de schipper terwijl hij een wenkbrauw optilt. “Ik heb zo’n honger en zo te ruiken weet die juffrouw wel een goede patatzaak”, legt de man uit.
Ik ben zo blij dat het donker is, want het schaamrood staat me op de kaken.
“En weet je een goede patatzaak meissie”, vraagt de schipper me.
“Uhh, ja als je dadelijk van het pont afkomt, ga je eerst links dan alsmaar rechtdoor, dan de tweede afslag links en bij de kerk ga je weer links. En dan is het na de tweede rotonde rechtdoor. Dan moet er een aan je linkerkant liggen”, probeer ik hem uit te leggen. “Je hoort het”, bevestigt de schipper. ”Succes zo meteen en smakelijk”, eindigt hij.
Wat later hoor en voel ik het pont tegen de kade aan komen, waarna de schipper de rijdplank uitlegt.
Ik laat de man met de motor eerst over de rijdplank het pont verlaten. Hij trekt flink op om daarna linksaf te draaien, op weg naar de snackbar.
De schipper komt mijn kant opgelopen en zegt: “Jij heb hem mooi weer terug naar af gewezen, niet meissie?”, grinnikt hij. “Hij komt nu waarschijnlijk straks weer op de overkant uit”. “Tja,” zeg ik. “Ik wist niet zo vlug wat ik moest zeggen”, verklaar ik verontschuldigend. “Ik ben helemaal niet in een snackbar geweest, ik moet eerlijk zeggen dat ik gewoon naar zweet stink, sorry”, verantwoord ik me naar hem toe.
De schipper lacht voluit waardoor zijn hele gezicht overhoop ligt. Creepy!!
“Och meissie, dat hoef je mij niet te vertellen, ik herken de geur wel. Stink zelf ook regelmatig naar uitjes en Bruno had het al meteen geroken. Hij bleef niet voor niks zo lang bij je staan likken. Ga maar gauw naar huis voordat die vent dadelijk weer aan de overkant staat te vloeken”. Ik glimlach naar hem en zeg: “Bedankt meneer”.
“Niks meneer, meissie. Die lig op het nachtkassie zeg me vrouw altijd”.
“Tot kijk”, groet ik en stap weer op de pedalen. “Tot kijk meissie”, groet de schipper terug. Wat heb ik me ontzettend in de man vergist zeg! En in de hond. Die rotfilm ook.
Nadat ik mijn fiets in de garage heb gezet en de voordeur open, spot ik meteen de deo-roller. Ik zou zweren dat die zich ligt te verkneukelen. Mijn moeder steekt haar hoofd om de deur van de woonkamer en zegt: “Je was je deo vergeten”.
“Nee, je meent het!”, puf ik.

 

Terry

 

Read Full Post »

We blijven nog even in de sfeer van de Boekenweek. Resi geeft prachtig weer hoe overweldigend de bibliotheek, die bijzondere wereld van boeken, kan zijn.

 

 

Zodra ik de bieb binnenkom
voel ik de vibraties van de
honderdduizenden personages,
die daar aanwezig zijn.
Ze klimmen uit de boeken,
roepen stil om aandacht
en smeken me
hun levens te volgen.
Ik voel liefde, haat,
eenzaamheid, ontdekking,

leed van mens en dier,
maar ook levensvreugd.
De geur van boeken roept
vluchtgevoelens op; ik moet
mijn eigen zijn buiten sluiten en
even wegdrijven in een leven,
gecreëerd door een ander,
de schrijver van een goed boek.
De kaften lokken om het hardst
met titel en met kleur.

Ze willen me meevoeren
door de vele bladzijden
langs verleden, toekomst,
gedichten, spannende thrillers
of wetenschappelijke essays.
En ik val ervoor als een blok,
gedreven door nieuwsgierigheid.
Zó graag wil ik deel uit maken
van deze levens en me verliezen
in bijvoorbeeld een mooie roman.

Met opgetrokken knieën
opgekruld in een luie stoel,
beleef ik een uurtje het leven
van een ander en…. ik geniet.
Laat me maar eventjes!

 

Resi Faessen

 

Read Full Post »

Het feestelijke, uitnodigende lenteweer van de laatste week is een geluk dat je zomaar cadeau krijgt. Het nodigde An uit tot deze mijmering.

 

 

Geluk

Elk mens wil het geluk wel pakken
als hij daarvoor maar een grijphand had
Zo’n klein geluk om naar te snakken,
om te bewaren als een schat

Soms krijg je het geluk cadeau
hoeft niet te grijpen, het komt zó:
als er op je dak een lijster fluit
of in je tuin komt een tulpje uit
of heldere kleinkinderstemmen
Dàt geluk zou je vast willen klemmen

Als je maar zo’n grijphand bezat

Maar het leven leert een sterveling
Dat het geluk kwam en weer ging
Je kunt er altijd weer van dromen
dat het misschien terug zal komen

 

An Cuijpers
Augustus 2001

Read Full Post »

« Newer Posts - Older Posts »