Een mooi initiatief van de gemeente Nederweert, waar onze Nina weer graag aan mee deed.
Twee weken geleden was het “De week van lezen en schrijven, een leven lang leren”. In deze week stonden digitale vaardigheden centraal. De gemeente Nederweert had daartoe voor de tweede keer een verhalenestafette georganiseerd. Zeven inwoners van die gemeente, schreven om de beurt een stukje tekst over Lei Vere, die moeite heeft met digitale vaardigheden. Uiteindelijk ontstond er een inspirerend verhaal over hulp, begrip en samen leren.
Van die zeven schrijvers was onze Nina dinsdag 9 sept jl als tweede aan de beurt. Natuurlijk zijn wij als SKO een beetje plaatsvervangend trots op haar bijdrage!
Klik HIER om het hele verhaal te lezen. Veel plezier ermee!
Een mozaïek met de afbeelding van Maria? In ieder geval een vrouwspersoon met duiven. Sta je dichtbij, dan lijkt het of ze haar ogen dichtheeft. Sta je veraf, dan lijkt ze naar je te lachen met wijd open ogen. Geheimzinnig! Brrrr… mierentietjes! Ik kijk nog eens rond. Aardig vakantieboerderijtje, toch wel, vrij, best wat grond en vanuit de tuin loop je zo de duinen in. Maar de sfeer: yak! Mijn buik wordt draaierig, of is het de baby die tekeer gaat?
“Leuk boerderijtje, hé mam?”, zegt onze jongste dochter Lotte. “Mogen wij boven slapen, bij elkaar?” Boven is een ouderslaapkamer met een tweepersoonsbed, dat lijkt ze gezelliger. Het oogt ook wat knusser. Alleen die trap! Steil, smalle treetjes en bovenaan de trap is een hele lage balustrade, waarover ze vrij makkelijk naar beneden kunnen kukelen. Zeker tijdens nachtelijke plasuurtjes. Ik verbied mijn twee dochters dan ook ’s nachts te gaan wandelen en plaats een aanwezig kinderpotje naast hun bed. “Waar slapen wij? vraagt Frans, mijn man, die inmiddels met ons zoontje van één naar boven is geklauterd. “ Wij slapen beneden”, zeg ik enigszins afwachtend. Beneden zijn twee kamers met ieder twee eenpersoons bedden. Knuffel kus of vrijpartijtjes zijn vrijwel onmogelijk. Er volgt geen tegensputteren. Hij knikt begrijpend, ik heb er mijn buik tijdelijk van vol.
Ik zit meteen rechtop. Het is nacht en mijn oudste dochter Guusje gilt dat ik gauw moet komen, want er tikt iemand tegen het raam van hun kamer. Snel loop ik naar de trap door de flauw verlichte kamer. Heb twee lampen aangelaten voor mijn dochters en mijn plezier. Wanneer ik boven kom, zitten ze allebei met grote ogen naar het gordijn te staren, waarachter inderdaad getik vandaan komt. Met het hart in mijn keel doe ik het gordijn open. In een flits fladdert er een duif weg. Geschrokken deins ik achteruit en stap in het reeds gevulde kinderpotje. Shit! Wanneer ik alles heb opgeruimd en mijn voeten heb gewassen , wil ik mijn dochters nog verder geruststellen en vertel ze een waar gebeurd jeugdverhaal.
Een jaar of negen zal ik geweest zijn, toen ik een keer ’s nachts wakker werd. Moest erg plassen maar durfde er niet uit. ‘k Had namelijk gedroomd van krokodillen, die zich vooral onder mijn bed hadden geparkeerd. Wachtend om toe te slaan, zo gauw ik maar een voet buiten het bed zette. Ik wachtte… Mijn blaas werd echter zo vol, dat ik wel moest opstaan. Ik stond op en meteen voelde ik een klap op mijn voeten. “Krokodillen, krokodillen”, bleef ik maar gillen, terwijl mijn moeder de lamp aandeed. “Natte pantoffels zul je bedoelen”, gromde mijn moeder. Ik had van schrik mijn plas niet meer op kunnen houden. Mijn dochters lachen er hartelijk om en zijn weer gerustgesteld.
Beneden aangekomen en op weg naar mijn slaapkamer lacht ze me weer toe. Verrek, knipoogde ze nou? Maak dat ik mijn bed in kom en probeer te slapen. Was ik maar thuis op mijn vertrouwde stekkie.
De volgende nacht schrik ik wakker. Knarsend grind! Loopt er iemand om het huisje? Slaap of niet, ik hoor het opspatten van grind. Moet ik uit het raam kijken of niet? Ik verzamel alle moed en schuif het gordijntje opzij. Een wit staartje. Een groot konijn hupt weg over het grind en schiet de duinen in. Voel een onweerstaanbare druk op mijn blaas, ik moet! Op de terugweg naar mijn slaapkamer grijnst ze ditmaal naar me, mysterieus en een beetje vals. Rillingen over mijn rug. De aandrang om koffers te pakken en naar huis te gaan wordt steeds groter. Vlucht mijn bed weer in.
De volgende dag belt de eigenaar van het boerderijtje om te vragen hoe wij het hebben aangetroffen en of ik nog vragen heb. “Ja, zeg ik, hebt u dat mozaïek zelf gemaakt?”
”Nee, antwoordt hij, ze hing er al toen wij het kochten. Mijn vrouw vindt het mooi”, zegt hij ietwat timide. “Maar ikzelf berg haar nog wel eens op in de dekenkist eronder. Voel ik me prettiger bij, gek hé?”, verontschuldigt hij zich.
“Nee hoor, roep ik opgelucht en bedankt voor de tip”. Linea recta loop ik naar het mozaïek en berg het meteen op in de dekenkist. Heb de rest van de week geen last meer van haar gehad.
Op de dag van vertrek moet ik haar weer terughangen. Open de dekenkist en verwacht elk moment dat ze een vloek over me gaat uitspreken. Vlug hang ik het mozaïek aan het daarvoor bestemde haakje. Maken dat ik bij haar wegkom. Eenmaal in de auto gezeten, rijden we de oprit af, op weg naar huis. Eindelijk denk ik. Uit volle borst begin ik te zingen: “We zijn er bijna, we zijn er bijna, maar nog niet helemaal”…
Onze Anja is altijd zeer betrokken bij het wereldgebeuren. Regelmatig uit ze dat in gevoelige gedichten die je aan het nadenken zetten, zoals dit gedicht over kinderarbeid.
Onze Karin liet zich inspireren door al dat weelderig onkruid van de laatste weken. Onder het motto: over ieder onderwerp kun je schrijven. Zelfs in de klassieke vorm van een sonnet!
De oude boom strekte zijn takken hoog de lucht in. Vermoeid zwaaide hij zich met zijn bladeren wat koelte toe. Niet dat dat zoveel uitmaakte, de hitte had zich toch al genesteld in zijn dichte bladerdak. “Gelukkig loopt de dag teneinde”, verzuchtte hij. Wat snakte hij naar een frisse regenbui, die zijn stoffige bladeren zou afspoelen en afkoelen. Mopperend zochten zijn wortels een onderaards waterstroompje. Dit leverde ook al niets op. In de verte kleurde de hemel donker en een opkomend onweer rommelde. Nee hè, dat ontbrak er nog aan! Hij hoopte dat het onweer zich niet boven hem ontlaadde, want hij stond als een baken aan de rand van het weiland. Erg veilig voelde hij zich daarom niet. Waarom moest hi ook altijd met kop en schouders overal bovenuit steken, vroeg hij zich af.
Toen hij jong was, leek groot worden een dagtaak, die hij met plezier vervulde. Zijn gedachten dwaalden terug naar zijn jeugd. Met 19 andere beuken werd hij uitverkoren om de oprijlaan van het oude kasteeltje te omlijsten. In hun jeugdige overmoed trachtten ze elkaar in lengte te overtreffen. En wat had het uiteindelijk opgeleverd? Niets! Waarschijnlijk lagen ze nu, opgepoetst, als parket mooi te wezen. Hij had geluk. Hij mocht blijven staan met zijn vriend aan de andere kant van het pad.
Plotseling rukte de wind aan zijn takken. “Verdorie nog,” mopperde hij tegen de wind, “ik heb je gevraagd om een verkoelende bries. Niet om meteen mijn bladeren eraf te rukken en mijn oude takken te laten kraken!” Een bliksemflits zocht zigzaggend een doel om zich te kunnen ontladen. De beuk sidderde tot in zijn wortels en riep naar de wind: “Jaag die bui in Godsnaam terug over het bos en laat mij hier rustig mijn dagen slijten.” Maar de wind gierde en danste door zijn bladeren en was geenszins van plan om hem een rustige zomeravond te bezorgen.
Vele rustige zomeravonden had hij doorgebracht langs de oprijlaan. Och ja, dat waren nog eens tijden, voordat de mensen met hun stinkende vierwielers de lucht vervuilden. Hij miste het geluid van klepperende paardenhoeven en ratelende karrenwielen. Ruw werd hij uit zijn mijmeringen losgerukt omdat een bliksemflits de lucht doorkliefde en insloeg op een afrastering. Tjonge tjonge, had hij even geluk gehad. “Ik moet mijn hoofd erbij houden,” dacht hij, “dadelijk heeft het me nog te pakken.” Als hij er aan terug dacht hoe zijn vriend werd getroffen, verschrikkelijk! Een lichtflits, een oorverdovende knal en hij was zowat doormidden gekliefd. Vele troostende woorden konden zijn vriend niet redden. Machteloos had hij zich gevoeld want het enige dat hij kon doen was niet genoeg om een beuk te redden met een wond van kruin tot wortel. O wat had hij zich geschaamd omdat hij altijd zo’n ophef had gemaakt over zijn littekens: een granaatscherf en een groot hart in zijn bast gekerfd. Als hij daaraan terug dacht!
Nee, hij moest maar aan iets anders denken. Bijvoorbeeld die dag een paar jaar geleden dat hij bezoek kreeg van een stel heren die hem beklopten, bekeken en hem fotografeerden en hem het gevoel gaven dat hij – een oude beuk – iets bijzonders was. Wat was hij trots geweest op zijn omvang en lengte. Ja ja, hij mocht er zijn! Krak- au!! Pijnlijk werd hij zich ervan bewust dat een van zijn takken was afgebroken. Een pijnscheut trok door al zijn houtvaten. Hij voelde zijn levenssappen langzaam naar buiten stromen. Gelukkig was het een van zijn kleinere takken. Dit zou hij wel overleven, maar de pijn en het verdriet om een van zijn ledematen was er niet minder om.
De eerste regendruppels vielen neer en binnen enkele tellen geselden ze zijn bladeren. De wereld werd even in een schijnwerper gezet en in de verte zag hij een aantal paarden met hun kont tegen de wind in staan. Zij hadden het ook niet gemakkelijk in dit weer, ze lieten zo moedeloos hun hoofd hangen. Dat zou hij ook wel willen doen. Hij was zo moe. Honderden jaren lang had hij de elementen getrotseerd en veel van zijn energie en veerkracht had hij achter gelaten in zijn verre verleden.
Hè, die regendruppels verkoelden nu toch lekker. Zijn wortels laafden zich aan het overvloedige regenwater. Zo langzaamaan voelde hij zich al wat beter. “Volgens mij heb ik het ergste weer doorstaan”, dacht hij opgelucht. Het onweer teisterde nu het dorp aan de horizon. Hij kon opgelucht ademhalen en deed dit meteen door alle huidmondjes in zijn bladeren te openen. “Morgen zou het best wel eens een fijne dag kunnen worden”, bedacht hij. Zijn bladeren voelden zich heerlijk fris gewassen, zijn wortels hadden hun dorst gelest, de vogels zouden niet te loom zijn om hun lied te zingen en misschien kwamen de eekhoorntjes wel weer tikkertje spelen tussen zijn bladeren. Och, het leven was zo slecht nog niet. Een weldadige rust nam bezit van het landschap en van de oude beuk. Hij zuchtte eens heel diep en gaf zijn gedachten weer over aan de wind.